Kort samengevat: Plant pootaardappelen in het voorjaar zodra de grond is opgewarmd, in een geul van 15-20 cm diep5, met ongeveer 30 cm tussenruimte en de kiemogen naar boven6. Hoog de aarde rond de stengels op naarmate ze groeien, dit heet aanaarden1, en oog vroege en late rassen na elkaar zodat je van zomer tot herfst aardappelen kunt rooien1.
Wat je precies kweekt
De aardappel (Solanum tuberosum) is een vaste waarde in de moestuin, geliefd om zijn opbrengst en betrouwbare resultaat1,2. Het gewas wordt als tere meerjarige plant geteeld, is niet giftig, en groeit het best in volle zon met een gematigde waterbehoefte2.
Er zijn twee hoofdgroepen: vroege aardappelen, ook wel nieuwe aardappelen genoemd, en late rassen, afhankelijk van de rijptijd1. Vroege rassen worden weer onderverdeeld in vroege en halfvroege soorten1. Door een mix te planten, kun je van de zomer tot in de herfst verse aardappelen rooien1.
Beginnen met pootaardappelen
Aardappelen worden gekweekt uit kleine knollen, pootaardappelen genoemd, die meestal in het voorjaar worden geplant1.
Bij vroege rassen kun je de pootaardappelen eerst laten voorkiemen, zodat ze al beginnen te ontkiemen voordat je ze in de grond zet1. Deze voorsprong zorgt voor een vroegere oogst1.
De pootgeul voorbereiden
Graaf een geul van 15-20 cm diep voor je pootaardappelen5. Sommige tuinders werken liever met een iets ondiepere geul van ongeveer 15 cm6.
Leg de pootaardappelen ongeveer 30 cm uit elkaar, met de kiemogen (de kleine knopjes waaruit de spruiten groeien) naar boven6. Dek ze eerst af met zo'n 5 cm grond6.
Aardappelen die in rijen worden geplant, doen het meestal goed en zijn later makkelijker aan te aarden en te rooien5.
Het juiste plantmoment
Aardappelen kennen seizoenen binnen het seizoen: vroege, halfvroege en late rassen kunnen allemaal in hetzelfde perceel worden geplant voor een gespreide oogst4.
Wacht tot de grond is opgewarmd voordat je poot. Aardappelen die in koude, stress veroorzakende grond worden gepoot, komen traag op, terwijl ze bij warmere grond snel opkomen en gestaag doorgroeien3.
Als er na opkomst nog een flinke nachtvorst komt, lopen de planten opnieuw uit, maar elke keer dat ze terugvriezen, levert dat een kleinere en latere oogst op3.
Lichte vorst wordt over het algemeen goed verdragen, maar dek jonge planten af als er laat in het seizoen strenge vorst wordt voorspeld5.
Aanaarden tijdens de groei
Naarmate de aardappelplanten groeien, hoog je geleidelijk aarde op rond de stengels, een techniek die aanaarden heet1.
Houd tijdens deze fase de vochtigheid van de grond goed in de gaten. Aardappelen hebben liever een gelijkmatige, matige watergift dan een grond die uitdroogt of juist drassig wordt2.
Veilig voor gezin en huisdieren
Aardappelplanten zijn als soort niet giftig2, fijn om te weten in een tuin waar kinderen en huisdieren rondlopen.
Wil je toch een gewasbeschermingsmiddel gebruiken in je aardappelbed, check dan altijd het etiket voor de juiste dosering en het juiste moment in plaats van te gokken, en houd je aan de lokale regels voor gebruik bij groenten.
De oogst binnenhalen
Omdat er vroege, halfvroege en late aardappelrassen bestaan, kun je meerdere soorten planten om het oogstseizoen over zomer en herfst te spreiden1,4. Sommige tuinders planten alles op dezelfde dag en laten elk ras op zijn eigen tempo rijpen, waarbij ze eerst de halfvroege rassen rooien terwijl de bewaarrassen nog doorgroeien4.
Het opgraven van je verborgen oogst is een van de meest bevredigende momenten in de moestuin, welke aanpak je ook kiest1.
Kort samengevat voor jouw moestuin
Begin met pootaardappelen en laat de vroege rassen voorkiemen voor een voorsprong1. Graaf een geul van 15-20 cm diep5, zet de knollen zo'n 30 cm uit elkaar met de ogen naar boven, en dek af met een paar centimeter grond6.
Aard aan naarmate de planten groeien1, houd de watergift matig en gelijkmatig2, en wacht tot de grond is opgewarmd voordat je de pootaardappelen de grond in zet3. Kies een mix van vroege en late rassen om langer van je eigen aardappelen te genieten1,4.